|
Het Waddengebied strekt zich uit van Den Helder in Nederland tot voorbij Esbjerg in Denemarken. Het is het grootste aaneengesloten natuurgebied in West-Europa. Tot het Nederlandse Waddengebied behoren niet alleen de Waddenzee, maar ook de vijf eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en de kuststrook.
Wat is Wad! De Waddenzee kun je omschrijven als een zee die door eb en vloed wordt bepaald. Bij laagwater valt dit gebied voor een deel droog. Het karakter van dit gebied wordt bepaald door stromingen, golven en getijden dat wil zeggen dat het bij hoogwater een binnenzeevlakte is en bij laagwater verandert in een uitgestrekt slikgebied, door geulen doorsneden in een grillig patroon. Aan de Noordzeekant wordt de waddenzee afgesloten door een de eilanden. Aan de vastelandzijde wordt het gebied begrensd door kwelders. Kwelder
Kwelders Met iedere vloedstroom worden grote hoeveelheden zand en slib de Waddenzee binnengevoerd. Dichtbij de kust en vlak achter de eilanden is de stroom het zwakst daar bezinken de kleinere zandkorrels en het slib. Zo zet zich hier na ieder hoogwater een dun laagje zand en slib af. Na verloop van tijd wordt dit laagje steeds dikker; dit leidt ertoe dat de bodem bij normaal hoogwater niet meer onderstroomt. Zulke gebieden aan de kust en aan de wadzijde van de eilanden worden kwelders genoemd.

Getijdenlandschap Een bijzondere kenmerk van de Waddenzee is dat ze tweemaal per dag gedeeltelijk leegstroomt en ook tweemaal onder water staat. Door de openingen tussen de eilanden (zeegaten) stroomt het water uit de Noordzee de Waddenzee in en uit.
Onder getij verstaat men het regelmatig rijzen en dalen van de zeespiegel, veroorzaakt door de aantrekkingskrachten van de maan en de zon op de draaiende aarde. Men spreekt van vloed of opkomend getij, en van eb of afnemend getij. De hoogste waterstand tijdens vloed heet hoogwater en de laagste waterstand tijdens eb heet laagwater. De getijden worden teweeggebracht door getijstromen, die men weer verdeelt in eb- en vloedstromen. Dit zijn regelmatige horizontale bewegingen van het zeewater. Men onderscheidt deze getijstromen van zeestromingen. Deze laatste zijn onregelmatige horizontale bewegingen van het zeewater, die ontstaan door verschillen in temperatuur en zoutgehalte, overheersende windrichtingen etc.
Springvloed en doodtij De aantrekkingskracht van de maan op de aarde is tweemaal zo sterk als die van de zon. De getijbeweging die veroorzaakt wordt door de maan is dan ook tweemaal zo groot als die welke door de zon veroorzaakt wordt. Omdat de stand van zon en maan ten opzichte van de aarde elke dag anders is, verandert de getijbeweging ook elke dag. De aantrekkingskrachten van zon en maan kunnen elkaar versterken, maar ook verzwakken. Maximale versterking treedt op als zon en maan in één lijn staan met de aarde. Het is dan volle maan of nieuwe maan en het getij heet springtij, te verdelen in springvloed, gekenmerkt door een hogere hoogwaterstand dan normaal, springeb, gekenmerkt door een lager laagwaterstand dan normaal. Als de denkbeeldige lijn tussen de aarde en de maan loodrecht op de lijn tussen de aarde en de zon staat, spreekt men van het eerste kwartier of laatste kwartier. Het bijbehorende getij heet doodtij, dat een lagere hoogwaterstand en een hogere laagwaterstand geeft dan normaal. In het waddengebied is het verschil van springtij en doodtij ten opzichte van de normale waterstand ongeveer een halve meter.
 Wantij
Geulenstelsels Door de uitschurende werking van vloed en eb zijn er tussen de eilanden zeegaten ontstaan en van daaruit geulenstelsels in de Waddenzee. De zeegaten zijn enkele tientallen meters diep. De geulen worden naar de kust toe steeds ondieper en zien eruit als het fijnvertakte wortelstelsel van een boom. De uitlopers van deze geulen worden prielen genoemd. Tweemaal daags wordt door het geulenstelsel het zeewater aan- en afgevoerd. Door de zeegaten wordt behalve water ook veel zand en slib verplaatst evenals grote hoeveelheden plankton, vis en ten slotte -helaas -ook veel verontreinigd materiaal. Tussen de geulen en prielen liggen de zandbanken, de eigenlijke wadden. De juiste betekenis van het woord wadden, is dan ook: droogvallende gronden langs de kust. Geulenstelsels liggen dan ook aan weerskanten van een eiland of plaat. De geulen bij de zeegaten worden gebruikt door de vissersboten, veerboten en zeilboten en alle andere boten die de waddenzee kunnen bevaren.
Op de plaats waar de twee vloedstromen elkaar ontmoeten ontstaat een slingerende strook van kust naar eiland. Deze strook noemt men het wantij, de waterscheiding tussen twee geulenstelsels. Dit wantij ligt hoger en de meeste geulen en prielen lopen hier dood, omdat de (uit)schurende werking van het water hier gering is en er dus meer zand en slik wordt afgezet. Onder ieder eiland en plaat is een dergelijk wantij te vinden. Dit wantij is van belang voor wadlopers, want het is de enige plaats waar ze van de kust naar het eiland kunnen lopen. Ook voor scheepvaart en watersport is het wantij van belang, want het is het ondiepste punt van de geul. Niet overal echter is het wantij in zijn geheel aanwezig. Zo lopen o.a. de wantijen van Texel, Vlieland niet helemaal door van het eiland naar de kust. Onder ieder eiland bevindt zich tenminste een geul, die het wantij doorsnijdt en door vissers, zeilers enz. als vaargeul wordt gebruikt.
De Waddeneilanden De Waddeneilanden worden gekenmerkt door een grote afwisseling en een overgang tussen verschillende soorten landschappen, strand, strandvlakte, duinen, binnenduinen, kwelders, polders, bossen en wadden. Mede door hun planten en dierenwereld en hun geïsoleerde ligging kan het grootste deel van de waddeneilanden als natuurgebied beschouwd worden, lees meer hierover...
|